183-dagenregeling: niet alleen werkdagen tellen mee

De Hoge Raad volgt de advocaat-generaal in zijn oordeel dat voor toepassing van de 183-dagenregeling uit moet worden gegaan van fysiek verblijven. Niet van belang is of het verblijf in een land een privé- of zakelijk bezoek betrof. 

De zaak betrof een Belgische dga die in Nederland werkzaamheden had verricht. Omdat hij volgens de inspecteur in 2009 meer dan 183 dagen in Nederland had verbleven, legde de inspecteur de Belgische dga een aanslag Inkomstenbelasting op. Rechtbank Zeeland-West-Brabant en Hof Den Bosch waren van oordeel dat dit niet terecht was. Volgens hen kon het niet de bedoeling zijn van de verdragsluitende staten dat in een situatie van een grensarbeider de belastingheffing mede afhankelijk is van zijn lijfelijke aanwezigheid in de werkstaat in verband met privéaangelegenheden.

Advocaat-generaal Niessen was het met die redenatie van de rechtbank en het hof niet eens. Op grond van het Commentaar bij het OESO-Modelverdrag oordeelde hij dat voor de berekening van de 183-dagenregeling uitgegaan moet worden van de ‘physical-presence methode’. Ook de Hoge Raad komt tot dit oordeel: als dagen van verblijf in de werkstaat tellen niet alleen de dagen waarop daadwerkelijk in de werkstaat is gewerkt mee, maar volgens de Hoge Raad tevens alle overige dagen waarop de belastingplichtige in de werkstaat aanwezig is geweest en die enig verband houden met de werkzaamheden aldaar, zoals zaterdagen, zondagen, nationale feestdagen, vakanties en vrije dagen voor, tijdens of na beëindiging van de werkzaamheden of korte onderbrekingen daarvan. 

De Hoge Raad verwijst de zaak naar Hof Arnhem-Leeuwarden, dat mag onderzoeken hoeveel dagen de Belgische dga nu daadwerkelijk in 2009 in Nederland verbleef. Indien dit meer dan 183 dagen betreft dient het verwijzingshof volgens de Hoge Raad uit te gaan van de fictiefloonregeling. 

Bron: HR 14-07-2017, nr. 16/03578 (ECLI:NL:HR:2017:1326)