Allocatiefunctie niet van belang voor sectorindeling als uitzendbedrijf

In een lang verwacht arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een payrollbedrijf moest worden ingedeeld in sector 52, Uitzendbedrijven. Dat het bedrijf geen allocatiefunctie vervulde is volgens de Hoge Raad niet van belang.

Een payrollbedrijf neemt werknemers van een werkgever over om deze vervolgens aan de oude werkgever ter beschikking te stellen. Begin januari 2014 deelt de inspecteur het payrollbedrijf in sector 52, Uitzendbedrijven, in. Hof Amsterdam oordeelt dat de arbeidsovereenkomsten die het payrollbedrijf met haar werknemers heeft gesloten, kwalificeren als uitzendovereenkomsten. Het is daarbij niet van belang of het payrollbedrijf een allocatiefunctie (zich bezighoudt met het bij elkaar brengen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt) vervult. Het payrollbedrijf is volgens het hof terecht ingedeeld in sector 52. De Hoge Raad overweegt dat in sector 52 zijn ingedeeld werkgevers die op basis van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 BW arbeidskrachten ter beschikking stellen, tenzij door die arbeidskrachten werkzaamheden worden verricht die sec functioneel bezien voor meer dan 50% van het totale premieplichtige loon op jaarbasis aan één sector kunnen worden toegerekend. Van dit laatste is in deze zaak geen sprake. Daarom is van belang het antwoord op de vraag of de arbeidsovereenkomsten die het payrollbedrijf met haar werknemers heeft gesloten aangemerkt kunnen worden als uitzendovereenkomsten. Op grond van art. 7:690 is een uitzendovereenkomst de overeenkomst waarbij een werknemer door een werkgever, in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf van die werkgever, ter beschikking wordt gesteld aan een derde om op grond van een aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van die derde. Art. 7:690 houdt geen beperking in tot gevallen waarin sprake is van een allocatiefunctie van de werkgever, daarom faalt het middel. De Hoge Raad bevestigt de uitspraak van het hof en verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

 

Bron: HR 4-11-2016, nr. 15/04497 (ECLI:NL:HR:2016:2496)