Artistieke vrijheid verhindert echte gezagsverhouding niet

Een actrice werkt voor meerdere toneelgezelschappen en meent dat haar inkomsten moeten worden aangemerkt als winst uit onderneming. De arbeidsverhouding was misschien vormgegeven als dienstbetrekking, maar – vanwege haar artistieke vrijheid bij de vervulling van haar rol – was van een echte gezagsverhouding geen sprake. Volgens de inspecteur en Hof Amsterdam was er echter sprake van een echte dienstbetrekking.

 

Een actrice doet over het jaar 2012 aangifte IB. In haar aangifte heeft zij als inkomsten uit tegenwoordige arbeid haar inkomsten vermeld die zij ontving voor haar werkzaamheden bij een aantal toneelgezelschappen. In 2014 bedenkt zij zich. Ze maakt bezwaar tegen de aan haar opgelegde aangifte en stelt dat de inkomsten moeten worden aangemerkt als winst uit onderneming.
In hoger beroep spitst de zaak zich toe op de vraag of sprake is van een dienstbetrekking of niet en met name op het criterium van de gezagsverhouding. De actrice voert aan dat inkomsten, die zoals in dit geval als inkomsten uit loondienst zijn vormgegeven, desondanks als belastbare winst uit onderneming kunnen worden aangemerkt als een gezagsverhouding ontbreekt.  Tijdens de kern van haar werkzaamheden, optredens, krijgt zijn geen bindende aanwijzingen en zij overlegt verklaringen van twee van de theaterstichtingen waaruit zou blijken dat er sprake is van een gelijke verhouding tussen acteur, regisseur en directie; samen dragen zij de eindverantwoordelijkheid voor de voorstelling en in feite zou er sprake zijn van overeenkomsten van opdracht.
Haar argumenten overtuigen het hof niet. Uit de feiten leidt het hof af dat er sprake was van een dienstbetrekking, waarbij de actrice zich had te voegen in het door de ‘werkgevers’ geschapen organisatorisch kader. Ook had zij tussentijds aanspraak gemaakt op een werkloosheidsuitkering (en deze ook genoten. En dat zij als actrice een zekere mate van vrijheid toekwam bij de vertolking van haar rol, betekent nog niet dat een gezagsverhouding ontbreekt.
 
Bron: Hof Amsterdam 30-01-2018, 16/00379 (ECLI:NL:GHAMS:2018:285)