Bank kon financiering opzeggen

Een bank zegt onder opgaaf van reden de verstrekte financiering aan een ondernemersechtpaar op en vordert de openstaande schuld terug. Zowel de rechtbank als het hof komen tot de conclusie dat de ondernemer zijn bedrijfsactiviteiten had gestaakt en dat de bank hierdoor een toereikende grond voor de opzegging had.

Een echtpaar dreef een groothandel in bloemen en planten, vanaf 1 januari 1996 in de vorm van een VOF. In privé hebben zij meerdere geldleningen afgesloten bij een bank en een betaalrekening lopen. Daarnaast hebben zij mei 2010 namens de VOF, alsmede voor zichzelf, een financieringsovereenkomst met de bank gesloten. Op dezelfde datum hebben zij de bank een pandrecht gegeven op alle huidige en toekomstige inventaris en voorraden en op bestaande en toekomstige rechten en vorderingen van de pandgevers op derden uit bestaande rechtsverhoudingen. Begin 2013 ligt het echtpaar in scheiding en het huwelijk wordt in de loop van dat jaar ontbonden. Op 27 mei 2013 zegt de bank onder opgaaf van redenen de verstrekte financiering met een opzegtermijn van drie maanden op en sommeert de echtelieden om uiterlijk op 27 augustus 2013 hun openstaande schuld aan de bank te voldoen. In totaal gaat het om een vordering van ruim € 800.000.

Volgens de rechtbank mocht de bank uit de onbetwiste mededelingen van het echtpaar op 22 mei 2013 redelijkerwijs afleiden dat zij uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en zonder voorbehoud aan de bank wensten mede te delen dat de bedrijfsactiviteiten waren gestaakt en niet zouden worden voortgezet. De man toont weliswaar nog facturen en bankafschriften, maar daar is volgens de rechtbank zonder nadere toelichting niet uit af te leiden wat en hoeveel er concreet in de onderneming gebeurde, dat en hoe de onderneming in die periode werd geëxploiteerd en dat en hoe de onderneming in de toekomst zou worden voortgezet. Dat de onderneming nog was ingeschreven bij de KvK achtte de rechter niet van belang.

In hoger beroep stelt het hof vast dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de bedrijfsactiviteiten zijn gestaakt in de periode voorafgaand aan de opzegging van de financiering en het blokkeren van de rekeningen. Hoe lang deze periode was, vanaf begin 2013 of vanaf een tijdstip in mei 2013, doet niet ter zake en kan in het midden blijven. Daar duidelijk was dat de middelen ter voldoening aan de verplichtingen tegenover de bank werden gegenereerd door de bedrijfsactiviteiten en geen andere bronnen van inkomsten zijn gebleken, was er volgens de rechtbank en het hof toereikende grond voor de opzegging van de gehele financiering.

Bron: Hof Den Bosch 29-11-2016, HD 200.165.562/01 en HD 200.165.559 (ECLI:NL:GHSHE:2016:5313)