Bestuurdersaansprakelijkheid wegens in dienst houden personeel

Een bv maakt een doorstart voor de aannemingsactiviteiten van een ander bedrijf binnen de groep en neemt vijf werknemers in dienst. Veertien maanden later wordt de bv failliet verklaard. Rechtbank Rotterdam oordeelt dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur wegens het personeelsbeleid van de bestuurder.

 

Bij de doorstart neemt de bv vijf werknemers van het andere bedrijf in dienst waaronder drie familieleden van de bestuurder. Eén van de personeelsleden krijgt een oproepcontract, de overige vier hebben een voltijds dienstverband waarvan twee voor onbepaalde tijd. Veertien maanden later wordt de bv failliet verklaard. De curator stelt dat het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en dat dit een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement zodat het bestuur aansprakelijk gehouden moet worden voor het faillissementstekort.

 

Volgens de curator is er sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur omdat geen redelijk denkend bestuurder in de gegeven omstandigheden had kunnen besluiten om vanaf veertien maanden voor het faillissement vijf werknemers (waaronder drie familieleden van bestuurder) in dienst te nemen en te houden. Er was vrijwel geen werk en er bestond ook geen concreet vooruitzicht op (nieuwe) grote opdrachten. De curator acht het waarschijnlijk dat de werknemers voor andere vennootschappen in de groep hebben gewerkt. Het bestuur stelt dat het de bedoeling was om als onderaannemer actief te blijven in de branche (waartoe een deel van het werkplaatspersoneel en een controller werden overgenomen) en daarna door te starten als hoofdaannemer.

 

De rechtbank kan de stelling van het bestuur volgen dat gekwalificeerde personeelsleden voorwaarde zijn voor een succesvolle doorstart. Zij ziet echter niet in waarom een succesvolle (door)start niet mogelijk zou zijn geweest als er (in de opstartfase) uitsluitend personeelsleden op oproepbasis waren aangenomen, of als er uitsluitend arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd met een beperkte arbeidsduur waren aangegaan. De personeelskosten bedroegen ruim 65% van de totale kosten van het bedrijf. Toen er achterstanden ontstonden in de betalingen van de lonen en loonheffingen (terwijl er nog altijd geen nieuwe opdrachten waren) had het bestuur moeten ingrijpen en het personeelsbestand moeten inkrimpen. De rechtbank concludeert dat het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en dat aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement.
 
Bron: Rb Rotterdam 20-12-2017, C/10/512892 / HA ZA 16-1038 (ECLI:NL:RBROT:2017:10169)