Bij teruggaaf geen termijn voor verzoek om uitnodiging tot doen van aangifte

Volgens de Hoge Raad kan een belastingplichtige niet worden tegengeworpen dat hij te laat aangifte heeft gedaan, indien de aangifte per saldo resulteert in een teruggaaf. De verplichting om tijdig te verzoeken om een uitnodiging tot het doen van aangifte ontstaat pas als de te betalen omzetbelasting de terug te vragen omzetbelasting overtreft.

 

De zaak betreft een belastingplichtige die in september 2012 zonnepanelen op zijn woning heeft laten plaatsen (met als factuurdatum 1 september 2012). Na de conclusie van de AG in de zaak Fuchs bij het Hof van Justitie van de EU verzoekt hij in maart 2013 om registratie als ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting en om uitreiking van een aangiftebiljet. Vervolgens wordt aangifte gedaan over de laatste vier maanden van 2012. Die aangifte resulteert in een verzoek om teruggaaf van € 810. Die teruggaaf wordt door de inspecteur geweigerd omdat er geen sprake is van ondernemerschap voor de btw. In bezwaar doet de belastingplichtige beroep op het inmiddels door het Hof van Justitie gewezen Fuchs-arrest. De inspecteur merkt hem alsnog als ondernemer voor de btw aan, maar het verzoek om teruggaaf wordt afgewezen omdat het niet is gedaan binnen de termijn van drie maanden na het verstrijken van het tijdvak (art. 31 lid 5 Wet OB 1968). In de procedure die hierop volgde heeft Hof Amsterdam geoordeeld dat de belastingplichtige het verzoek om teruggaaf had moeten doen bij de aangifte over het derde kwartaal van 2012, de teruggaaf had immers betrekking op de factuur voor de zonnepanelen. Uiterlijk op 31 oktober 2012 had hij de inspecteur moeten verzoeken om een uitnodiging tot het doen van aangifte. Zijn verzoek in maart van het jaar daarop was dus volgens het hof te laat. 

 

In cassatie oordeelt de Hoge Raad dat in de Nederlandse wet geen verplichting is opgenomen om de start van de activiteiten te melden. Wel moet een belastingplichtige – die niet reeds is uitgenodigd voor het doen van aangifte – de inspecteur verzoeken om een uitnodiging vóór het tijdstip waarop de belasting moet worden betaald (art. 6 lid 2 en 3 AWR; art. 3 lid 1 UR AWR). Voor gevallen waarin een belastingplichtige geen belasting behoeft te betalen, is in de AWR geen verplichting opgenomen noch een termijn gesteld voor het doen van een verzoek om te worden uitgenodigd tot het doen van aangifte. Volgens de Hoge Raad ontstaat de verplichting om te verzoeken om een aangiftebiljet dus pas als de betalen belasting de terug te vragen voorbelasting overtreft. Volgens de Hoge Raad kan het de belastingplichtige daarom niet worden tegengeworpen dan het niet tijdig bij aangifte een verzoek om teruggaaf heeft gedaan.
 
Bron: HR 15-12-2017, 15/05937 (ECLI:NL:HR:2017:3127)