Box 3 heffing effectenportefeuille: individuele buitensporige last

Op 1 februari 2013 worden de aandelen van een man onteigend door de Staat. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de forfaitaire belastingheffing over niet meer bestaand vermogen in dit concrete geval een individuele en buitensporige last vormt. Het inkomen uit sparen en beleggen wordt daarom tijdsevenredig berekend.

Beslissend bij de beoordeling van de vraag of bij belastingheffing in de omstandigheden van het geval, sprake is van een individuele en buitensporige last, is de mate waarin de belastingplichtige in de gegeven omstandigheden getroffen wordt door de desbetreffende verplichting. Het hof overweegt dat het karakter van de vermogensrendementsheffing een inkomstenbelasting is en niet een vermogensbelasting. Het is daarbij de opzet om vermogensbestanddelen te belasten die rendement kunnen opleveren. Het hof oordeelt dat in het concrete geval van de man er sprake is van een individuele en buitensporige last en daarmee strijdigheid met art. 1 EP. In het concrete geval van de man worden namelijk vanaf 1 februari 2013 belastbare inkomsten in aanmerking genomen, berekend als het fictief rendement over vanaf die datum fictieve vermogensbestanddelen. Niet alleen kan het onteigende vermogen voor de man in het onderhavige jaar (2013) geen inkomsten meer opleveren, hij heeft nooit meer kans daarmee rendement te behalen. Het hof past de regels van 5.2 en 5.3. Wet IB voor het jaar 2013 tijdsevenredig toe: het inkomen uit sparen en beleggen wordt bepaald op: 1/12e van 4% van € 260.799 = € 869. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard.

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden 28-02-2017, 16/00215 (ECLI:NL:GHARL:2017:1614)