Btw-teruggaaf bij oninbare vorderingen eenvoudiger

Het kabinet wil de regeling voor teruggaaf van btw en milieubelastingen voor oninbare vorderingen vereenvoudigen. Belangrijkste wijziging is dat het recht van een ondernemer op teruggaaf van de eerder voldane belasting in ieder geval ontstaat voor zover de vergoeding een jaar na opeisbaarheid nog niet is ontvangen. Als een in mindering gebrachte bedrag later alsnog (deels) wordt ontvangen, wordt de belasting opnieuw (deels) verschuldigd. De regeling wordt ter consultatie voorgelegd. 

In de nieuwe opzet ontstaat het recht op teruggaaf op het tijdstip dat de oninbaarheid van de vordering kan worden vastgesteld. De oninbaarheid zal in echter ieder geval geacht worden te ontstaan op het moment dat de vordering één jaar nadat deze opeisbaar is geworden nog niet is betaald. Door deze termijnverkorting verkrijgt de ondernemer dus uiterlijk één jaar na het opeisbaar worden van zijn vordering recht op teruggaaf. De regeling wordt verder vereenvoudigd door van de ondernemer niet langer een separaat teruggaafverzoek te eisen. In de nieuwe opzet kan de ondernemer het bedrag van de teruggaaf simpelweg in mindering brengen op de periodieke aangifte voor de btw en, indien van toepassing, de desbetreffende milieubelasting.

Het kan voorkomen dat een vordering die eerder na een jaar als oninbaar is aangemerkt op een later tijdstip alsnog geheel of gedeeltelijk wordt ontvangen. Om te voorkomen dat de nieuwe regeling in die situatie onbedoeld zou leiden tot een te lage belastingheffing is voorzien in een bepaling dat ondernemers de eerder op de aangifte in mindering gebrachte btw of milieubelasting opnieuw op aangifte moeten voldoen voor zover de vordering na dat jaar alsnog van de afnemer wordt ontvangen. De nieuwe teruggaafregeling voorziet er verder in dat voor zover een ondernemer zijn vordering overdraagt aan een andere ondernemer, die andere ondernemer voor de toepassing van deze teruggaafregeling voor die vordering in de plaats treedt van de overdragende ondernemer.

Een punt dat alleen speelt in de btw is de correctie van door de afnemer in aftrek gebrachte btw. Als spiegelbeeld van de btw-teruggaaf voor oninbare vorderingen voor de ondernemer die de prestatie verricht, bevat de Wet op de omzetbelasting 1968 een correctiebepaling voor de terugbetaling van de door zijn afnemer in aftrek gebrachte btw. Die correctie vindt plaats wanneer de afnemer naar redelijkerwijs moet worden aangenomen, de vergoeding waarop die aftrek betrekking heeft geheel of gedeeltelijk niet zal betalen. Daarbij geldt onder de huidige regeling dat die correctie in ieder geval plaatsvindt bij het verstrijken van twee jaren na het opeisbaar worden van de vergoeding, voor zover deze dan nog niet is betaald. Het kabinet stelt voor deze termijn te verkorten tot één jaar

Door een overgangsregeling geldt de vereenvoudiging ook voor bij inwerkingtreding al lopende vorderingen, zij het dat de nieuwe termijn van één jaar voor deze vorderingen begint te lopen op de beoogde datum van inwerkingtreding, 1 januari 2017.

Men kan tot 14 augustus 2016 op deze consultatie reageren. 

Bron: MvF 12-07-2016, Internetconsultatie Vereenvoudiging belastingteruggaaf oninbare vorderingen