Dringende morele verplichting?

Is een bijdrage in het levensonderhoud van een stiefouder een verplichting, waardoor recht bestaat op persoonsgebonden aftrek in verband met een lijfrente-uitkering? De Hoge Raad oordeelde onlangs dat dit het geval kan zijn, mits het voortkomt uit een dringende morele verplichting.

De zaak betrof een vader die in zijn testament had bedongen dat de maandelijks een lijfrente-uitkering betalen aan zijn vriendin. De echtgenoot van de dochter brengt haar deel van de maandelijkse uitkering als persoonlijke verplichting in aftrek in zijn aangifte IB. Aanvankelijk wordt dit geaccepteerd, maar vanaf 2007 weigert de inspecteur de aftrek, omdat het geen onderhoudsverplichting vormt op grond van een wettelijke of morele verplichting. Eerder had de Hoge Raad in deze zaak bepaald dat in dat geval van belang is of er sprake is van een dringende morele verplichting. Hof Den Bosch moest onderzoeken of op het moment van overlijden van de vader hiervan sprake was. Die beoordeling had al plaatsgevonden naar aanleiding van de aangifte van de echtgenoot van de dochter over het jaar 1997. Volgens het hof kan onder die omstandigheden niet van de dochter worden gevergd dat zij thans na zoveel jaar nog bewijs levert dat de maatschappelijke positie en vooruitzichten van de vriendin van vader destijds zodanig waren dat vader zich niet gedrongen kon voelen tot het in het leven roepen van de lijfrenteverplichting. De inspecteur had moeten aantonen dat hiervan in 2007 geen sprake meer was en dat is niet gebeurd.

(20-01-2015)

 

Bron: Hof Den Bosch 03-07-2014, nr. AWB 13-01064 (ECLI:NL:GHSHE:2014:1822); HR 16-01-2015, nr. 14/03698 (ECLI:NL:HR:2015:69)