Geen bezwaar of beroep mogelijk tegen ambtshalve vermindering

Een eigenaar van verhuurd onroerend goed die de waarde van het pand in box 3 wilde bijstellen middels een ambtshalve vermindering viste achter het net omdat, voor de jaren waarom hij om vermindering verzocht, geen rechtsmiddelen openstonden tegen een beslissing om ambtshalve vermindering. 

De eigenaar van een verhuurd winkelpand geeft de waarde van dat pand in zijn aangifte IB jaarlijks op in box 3. De inspecteur heeft de aangiften IB voor de jaren 2006 tot en met 2009 gevolgd. Bij nader inzien vindt de eigenaar dat de waarde van het pand lager is. Hij heeft daarom op 27 maart 2013 per brief een verzoek om ambtshalve vermindering ingediend voor de jaren 2006 t/m 2009. De inspecteur heeft, op basis van voorgeschreven beleidsregels, het verzoek voor de jaren 2006 en 2007 afgewezen wegens termijnoverschrijding. Aan het verzoek om ambtshalve vermindering is hij voor de jaren 2008 en 2009 gedeeltelijk tegemoetgekomen. De eigenaar is het niet eens met de beslissing van de inspecteur en tekent bezwaar en vervolgens beroep aan.

Volgens de rechtbank had de inspecteur de bezwaarschriften niet-ontvankelijk moeten verklaren omdat de beslissingen op de verzoeken om ambtshalve vermindering weliswaar volgens de belastingwet genomen besluiten zijn, maar de wetgever dergelijke besluiten niet heeft aangemerkt als voor bezwaar vatbare beschikkingen. Gelet op het gesloten systeem van rechtsmiddelen (art. 26, lid 1 AWR jo art. 7:1, lid 1 Awb) brengt dit mee dat geen bezwaar en beroep openstaat tegen de beslissing op een verzoek om ambtshalve vermindering. De rechtbank verklaart de bezwaren alsnog niet-ontvankelijk. De met ingang van 1 januari 2010 in de wet opgenomen uitzondering dat bij een geheel of gedeeltelijke afwijzing van een verzoek om ambtshalve vermindering van een aanslag IB bij voor bezwaar vatbare beschikking moet worden beslist, is niet van toepassing. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de uitzondering alleen kan worden toegepast op belastingaanslagen IB waarvan de tijdvakken aanvangen op of na 1 januari 2010. Nu het verzoek van eigenaar betrekking heeft op de aanslagen IB 2006 tot en met 2009, is deze uitzondering niet van toepassing. Hof Arnhem-Leeuwarden is het eens met het oordeel van de rechtbank en maakt het oordeel tot het zijne. Het hof voegt daar nog aan toe dat de omstandigheid dat een besluit waartegen geen rechtsgang bij de belastingrechter mogelijk is onbevoegd zou zijn genomen, niet met zich brengt dat die rechtsgang wel openstaat. Er blijft immers sprake van een ingevolge de belastingwet genomen besluit dat de wetgever niet heeft aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking. Verder merkt het hof nog op dat het in de Algemene wet inzake rijksbelastingen voorziene stelsel van rechtsmiddelen tegen opgelegde aanslagen door middel van het maken van bezwaar en beroep voldoet aan de eisen die artikel 6 van het EVRM stelt aan een behoorlijke rechtsgang en het recht op een eerlijk proces voor die gevallen dat genoemd artikel kan worden toegepast. Gesteld noch gebleken is dat de eigenaar niet tijdig, dat wil zeggen binnen zes weken na dagtekening, een bezwaarschrift heeft kunnen indienen tegen de voor de onderhavige jaren opgelegde aanslagen.

Let op! Voor de belastingplichtige in deze zaak stonden geen rechtsmiddelen open tegen een beslissing op een ambtshalve vermindering. Sinds 1 januari 2010 is die mogelijkheid er wel en kan men bezwaar aantekenen tegen een beslissing op een verzoek om ambtshalve vermindering voor een aanslag IB waarvan het tijdvak op of na 1 januari 2010 is aangevangen.

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden 14 juni 2016 15/01214 (ECLI:NL:GHARL:2016:5174); Rb. Gelderland 23-07-2015, nr. AWB - 14 _ 5877 (ECLI:NL:RBGEL:2015:4756) (niet gepubliceerd)