Geen materiële onderneming = geen beroep op BOF

De erfgenamen van aandelen in een vastgoed-BV die geen materiële onderneming drijft, kunnen geen beroep doen op de bedrijfsopvolgingsfaciliteit.

 

Erfgenamen van aandelen in een vastgoed-BV verzochten in hun aangifte erfbelasting om toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF). De inspecteur wees het verzoek af omdat de vastgoed-BV volgens hem geen materiële onderneming dreef. Volgens de erfgenamen was wel voldaan aan de ondernemingseis. Hof Den Haag besliste echter dat de erfgenamen niet aannemelijk hadden gemaakt dat de verhuurdersactiviteiten die door of namens de vastgoed-BV waren verricht een onderneming vormden. Van meer dan normaal actief vermogensbeheer, vereist voor de toepassing van de BOF, is volgens het hof slechts dan sprake indien het rendabel maken mede geschiedt door middel van arbeid die naar aard en omvang onmiskenbaar tot doel heeft het behalen van redelijkerwijs te verwachten voordelen die het rendement bij normaal actief vermogensbeheer te boven gaan. Bij exploitatie van onroerende zaken geldt dat de in dat kader te verrichten of verrichte arbeid naar aard en omvang meer moet zijn dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is. De erfgenamen hebben aangevoerd dat erflater twintig uur per week besteedde aan directievoering en besluitvorming ten aanzien van de onroerendgoedportefeuille. Daarbij is tevens gewezen op erflaters jarenlange ervaring en expertise op het gebied van verhuur in de horeca. Het hof oordeelt dat, gelet op deze beperkte omvang aan urenbesteding en het bescheiden jaarsalaris van erflater, dat nog niet de helft bedraagt van een gebruikelijk loon, niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. In zijn oordeel betrekt het hof onder meer dat de panden slechts aan één huurder verhuurd werden en dat niet aannemelijk is gemaakt dat enig risico is gelopen met betrekking tot de verhuur van de panden. De inspecteur heeft volgens het hof dan ook terecht het verzoek om toepassing van de BOF afgewezen.

 

Bron: Hof Den Haag 19-07-2017, nr. BK-16/00035 (gepubl. 24-08-2017) (ECLI:NL:GHDHA:2017:2427)