Geen overeenkomst van opdracht maar dienstbetrekking

Ofschoon er tussen een bergingsbedrijf en de bv van de managers van het bedrijf een overeenkomst van opdracht was gesloten, was er volgens Rechtbank Gelderland - gelet op de uitvoering van de overeenkomst en de wijze waarop zij daaraan inhoud hebben gegeven - sprake van een dienstbetrekking.

Een vennootschap houdt zich bezig met het bergen en transporteren van voertuigen in de regio Limburg. Het bedrijf neemt de activiteiten van een andere onderneming over, waarvan de beide vennoten vanaf 1 april 2014 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven staan als gevolmachtigde van het bergingsbedrijf. Zij voeren het management uit bij dit bedrijf nadat hun bv haar activiteiten heeft overgedragen aan het bergingsbedrijf. Tussen beide bv’s is hiertoe een managementovereenkomst overeengekomen, waarin onder meer staat dat partijen een overeenkomst van opdracht sluiten. Zij wensen uitdrukkelijk geen arbeidsovereenkomst te sluiten. De bv van beide managers is verplicht toestemming te vragen bij het aangaan van financiële verplichtingen van € 2.500 of meer. Voor het management in het bergingsbedrijf ontvangt die bv een vergoeding van € 75.000 per jaar. In geval van arbeidsongeschiktheid van een van beide vennoten betaalt het bergingsbedrijf een week door. De beide aandeelhouders/managers hebben maximaal 20 dagen vakantie per jaar. Het bergingsbedrijf zorgt voor vervanging.

Het bergingsbedrijf legt de overeenkomst voor aan de Belastingdienst die oordeelt dat er sprake is van dienstbetrekking van beide aandeelhouders/managers met het bergingsbedrijf. Volgens de fiscus zijn ze verplicht verzekerd voor de werknemersverzekeringen.

De zaak wordt voorgelegd aan Rechtbank Gelderland die oordeelt dat gezien het bepaalde in de managementovereenkomst in onderling verband bezien, er sprake is van een dienstbetrekking. Ondanks dat de partijen niet beoogd hebben een arbeidsovereenkomst aan te gaan, zijn zij, gelet op de uitvoering die zij hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en de wijze waarop zij daaraan inhoud hebben gegeven, die wel aangegaan. Het was het bergingsbedrijf te doen om de expertise en het netwerk van beide managers. Aan hun bv komt daardoor geen reële betekenis toe. Er is sprake van een gezagsverhouding tussen het bergingsbedrijf en beide managers. Nadat het bergingsbedrijf hun bv had overgenomen, had het bergingsbedrijf de uiteindelijke beslissende zeggenschap. Bovendien zijn beide managers na overdracht van hun onderneming niet meer zelf ondernemer die voor eigen rekening en risico de leiding uitoefenen. Zij doen dat voor het bergingsbedrijf. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

 

Bron: Rb. Gelderland 4-08-2016, nr. AWB – 15_5646 (ECLI:NL:RBGEL:2016:4262)