Geen partnervrijstelling voor verkrijging door achterneef

Een achterneef komt geen recht toe op de partnervrijstelling voor zijn erfrechtelijke verkrijging. Ook niet op grond van het gelijkheidsbeginsel. Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden is terecht tariefgroep II toegepast.

Aan een man is een aanslag erfbelasting opgelegd voor het jaar 2013 voor een belaste verkrijging van € 143.321. De man was een achterneef van de erflater. In deze zaak is in geschil of de inspecteur ten onrechte het tarief behorende bij tariefgroep II heeft toegepast. Ook is in geschil of de man recht heeft op de partnervrijstelling. De man beantwoordt deze vragen bevestigend en de inspecteur ontkennend.

 

In hoger beroep overweegt Hof Arnhem-Leeuwarden dat de wetgever, wat betreft de tariefgroepindeling, de ruime grenzen van de beoordelingsvrijheid niet heeft overschreden en dat artikel 24 Successiewet 1956 niet in strijd is met internationale verdragen. Verder overweegt het hof dat een rechter volgens de wet recht dient te spreken en in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen. De man stelde met een beroep op art. 14 EVRM, waarin het recht op gelijke behandeling is opgenomen, dat hij als mantelzorger van erflater, evenals een kind van een erflater, in aanmerking dient te komen voor de partnervrijstelling. Het hof gaat hier niet in mee. De man voldoet niet aan het inschrijvingsvereiste. Een kind komt als mantelzorger immers ook pas voor de partnervrijstelling in aanmerking als het onder andere op hetzelfde woonadres als erflater is ingeschreven. Reeds hierom is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen geen sprake. Het hof beslist dat geen recht op toepassing van de partnervrijstelling bestaat. Het gelijk is aan de inspecteur.
 
Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden 31-10-2017, 16/00958 (ECLI:NL:GHARL:2017:9549)