Geen verlengde navorderingstermijn voor in buitenland gestalde zwarte omzet

In twee uitspraken heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voor de heffing over verzwegen omzet die op een buitenlandse rekening is gestald de verlengde navorderingstermijn niet van toepassing is. De inkomsten zijn niet in het buitenland opgekomen.

 

Op grond van art. 16 lid 4 AWR geldt er een verlengde navorderingstermijn voor vermogen dat in het buitenland wordt aangehouden en voor inkomsten die in het buitenland zijn opgekomen. In de zaken waar de Hoge Raad over oordeelde was er sprake van in Nederland verkregen inkomsten uit een onderneming die vervolgens op een buitenlandse rekening werd geplaatst. In beide gevallen had de belastingplichtige in 2014 gebruik gemaakt van de inkeerregeling voor het in het buitenland gestalde vermogen.
 
De ene zaak betrof een echtpaar met een ijssalon (VOF), dat in 2005 een bedrag van € 60.000 in contanten op een Luxemburgse rekening stortte. Met betrekking tot 2005 zijn navorderingsaanslagen opgelegd ter zake van inkomen uit sparen en beleggen (box 3) en inkomen uit werk en woning (box 1) met betrekking tot de storting van € 60.000. Hof Den Haag had in deze zaak geoordeeld dat de verlengde navorderingstermijn niet van toepassing was voor de verzwegen omzet. Het bedrag van de storting vond haar oorsprong uitsluitend in Nederland (de omzet van de ijssalon). Dat het naderhand in het buitenland is gestort is onvoldoende om die inkomsten onder de verlengde navorderingstermijn te laten vallen. De Hoge Raad volgt dit oordeel van het hof. De winstbestanddelen hadden geen aanknopingspunt met een ander land dan Nederland. In dat geval kan dan niet gesteld worden dat ze zijn opgekomen in het buitenland. En dat wordt ook niet anders als ze naderhand buiten het zicht van de fiscus op een buitenlandse rekening worden gestort. De staatssecretaris deed nog een beroep op een eerder arrest van de Hoge Raad uit 2004, maar anders dan in de huidige zaak betrof het daar inkomsten voor in Nederland verrichte activiteiten die rechtstreeks werden uitbetaald op een buitenlandse rekening.

 

De andere zaak betrof een erflater die in de jaren 2004-2007 zwarte omzet uit zijn interieurhandel had gestort op buitenlandse rekeningen. Ook in dit geval wilde de inspecteur met een beroep op de verlengde navorderingstermijn de verzwegen inkomsten uit werk en inkomen over die jaren navorderen. Rechtbank Noord-Holland stelde de inspecteur in het ongelijk; de verlengde navorderingstermijn was niet op die bedragen van toepassing. Tegen deze uitspraak had de staatssecretaris sprongcassatie ingesteld. De Hoge Raad oordeelt dat in een geval waarin de inspecteur slechts kon navorderen met toepassing van de verlengde navorderingstermijn, hij dan ook feiten diende te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waaruit blijkt dat de inkomsten in het buitenland zijn opgekomen. De rechtbank had al geoordeeld – en dit was in cassatie niet bestreden – dat de inspecteur dit niet aannemelijk had gemaakt. In dat geval kan niet gezegd worden dat de winstbestanddelen in het buitenland zijn opgekomen. En dat ze naderhand buiten het zicht van de fiscus zijn gebracht door ze op een buitenlandse rekening te storten maakt dat niet anders.
 
Bron: HR 16-03-2018, 17/01663 (ECLI:NL:HR:2018:303); HR 13-08-2004, nr. 39 287 (ECLI:NL:HR:2004:AQ6911); HR 16-03-2018, 16/06097 (ECLI:NL:HR:2018:359)