Geen verlengde navorderingstermijn voor in buitenland gestorte zwarte omzet

Volgens Rechtbank Den Haag is de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar niet van toepassing in een situatie waarin de ondernemer de door hem in Nederland behaalde verzwegen omzet naar een buitenlandse bankrekening overboekt.

Een echtpaar drijft sinds 1992 een ijssalon. Sinds de jaren negentig is het echtpaar rekeninghouder van een aantal Luxemburgse bankrekeningen. Deze bankrekening zijn niet aangegeven in de aangiften. Op 14 april 2014 heeft het echtpaar een inkeerverklaring aan de inspecteur gestuurd in verband met de door hen in Luxemburg aangehouden bankrekeningen. Op 1 mei 2015 sluiten ze met de inspecteur een vaststellingsovereenkomst gesloten over een reeks van jaren. Voor het jaar 2005 is daarbij een voorbehoud gemaakt om in bezwaar en beroep te kunnen gaan in verband met een correctie van het box 1-inkomen van in totaal € 60.000. Dit voorbehoud werd gemaakt om na te gaan of de correctie kan worden gemaakt op basis van de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar. De correctie betreft een storting in contanten op 4 november 2005 op één van de Luxemburgse bankrekeningen. De inspecteur heeft voor het jaar 2005 aan beide echtelieden een navorderingsaanslag opgelegd waarbij het inkomen met € 30.000 werd verhoogd. Voor Rechtbank Den Haag is het de vraag of de verlengde navorderingsaanslag van toepassing is.

Het bedrag van € 30.000 is niet als box 1-inkomen aangegeven en daarmee was de vereiste aangifte niet is gedaan. De navorderingsaanslag is opgelegd met toepassing van art. 16 lid 4 AWR: de navorderingstermijn wordt verlengd tot twaalf jaren, indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen. De inspecteur neemt pas bij de rechtszaak de stelling in dat mogelijk sprake is van verzwegen omzet die in het buitenland is behaald. Omdat deze stelling door de inspecteur niet is onderbouwd, gaat de rechtbank hieraan voorbij. Beoordeeld moet worden of de kasstorting ziet op verzwegen Nederlandse omzet. Volgens de rechtbank valt een situatie waarin de ondernemer de door hem in Nederland behaalde verzwegen omzet naar een buitenlandse bankrekening overboekt niet onder de reikwijdte van art. 16, lid 4 AWR. Dit blijkt ook uit een arrest van de Hoge Raad waaruit valt op te maken dat van een in het buitenland opgekomen inkomensbestanddeel geen sprake is, indien aan de ontvangst van de gelden slechts een binnen Nederland plaatsgevonden gedraging ten grondslag ligt. De inspecteur kan de verlengde navorderingstermijn niet toepassen.

 

Bron: Rb. Den Haag 12-07-2016 , nr. AWB – 15_9462 (ECLI:NL:RBDHA:2016:10749)