Gerechtigd tot het maken van bezwaar

Een vennoot in een vof kan niet op eigen naam bezwaar maken tegen een aan die VOF opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting, zo besliste de Hoge Raad. Dat die vennoot persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de belastingschulden van die VOF is niet van belang.

 

Eén van de vennoten in een VOF maakte op eigen naam bezwaar gemaakt tegen de aan die VOF opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting. De inspecteur heeft dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat de vennoot volgens hem niet gerechtigd was bezwaar te maken tegen die naheffingsaanslag. De zaak komt tot aan de Hoge Raad. Die oordeelt dat het hof er terecht ervan is uitgegaan dat het eerste lid van artikel 26a AWR de vennoot niet het recht toekent om bezwaar te maken tegen de naheffingsaanslag, aangezien die belastingaanslag niet aan hem is opgelegd. Ook aan het tweede lid van artikel 26a AWR kan de vennoot niet het recht ontlenen om bezwaar te maken tegen de naheffingsaanslag, aangezien zich hier niet het geval voordoet dat een aan de vennoot toebehorend inkomens- of vermogensbestanddeel is begrepen in het voorwerp van de belasting waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft. De vennoot motiveert zijn standpunt met de stelling dat hij op eigen naam bezwaar moet kunnen maken tegen de naheffingsaanslag, omdat hij als bestuurder op grond van artikel 18 Wetboek van Koophandel aansprakelijk is voor de belastingschulden van de VOF. Dit betoog faalt volgens de Hoge Raad, aangezien de wet niet voorziet in een dergelijke bezwaarmogelijkheid voor derden. Wel kan de vennoot de rechtmatigheid van de naheffingsaanslag via bezwaar en beroep ter discussie stellen indien de ontvanger hem aansprakelijk stelt bij een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 49, lid 1 Invorderingswet 1990. Daarbij merkt de Hoge Raad nog op dat aansprakelijkstelling voor belastingschulden langs deze weg dient plaats vinden, ook indien de aansprakelijkheid waarop de ontvanger zich beroept niet in de Invorderingswet 1990 is geregeld maar in civielrechtelijke wetgeving, zoals het Wetboek van Koophandel. Van de door de vennoot gestelde leemte, waardoor het recht op toegang tot de rechter voor hem onvoldoende is gewaarborgd, is volgens de Hoge Raad geen sprake. De Hoge Raad beslist dat de inspecteur het bezwaar van de vennoot terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

 

Bron: HR 15-09-2017, nr. 16/02715 (ECLI:NL:HR:2017:2348)