Handvatten Belastingdienst bij bestrijding wegstrepen R-C schuld

Naar aanleiding van een WOB-verzoek heeft het ministerie van Financiën een intern memo van de Belastingdienst openbaar waarin handvatten worden gegeven voor de bestrijding van het belastingvrij wegstrepen van de rekening-courant schuld van de dga aan zijn bv.

Het WOB-verzoek ging over het beleid van het ministerie en de Belastingdienst met betrekking tot het belastingvrij afboeken van een vordering van een bv op haar dga. Aanleiding voor het WOB-verzoek was een artikel in het FD waarin was aangegeven dat een dergelijke vordering belastingvrij zou zijn af te boeken met de stelling dat er van aanvang sprake was van een schijnlening en dat dit reeds langer dan vijf jaar geleden duidelijk was dat de lening niet zou worden terugbetaald.

In de beantwoording op het WOB-verzoek geeft Financiën aan dat er geen beleid geformuleerd door de Belastingdienst of het ministerie van Financiën over de geconstateerde mogelijkheid om belastingvrij de schuld van de dga aan zijn vennootschap af te boeken. Op basis van wet- en regelgeving en jurisprudentie wordt per casus een afweging gemaakt. Wel is aan de Belastingdienst in een intern memo een aantal handvatten gegeven. Uit het memo blijkt onder meer dat wanneer in de aangifte Vpb wordt gedetecteerd dat een vordering op de dga in enig jaar verdwijnt (tijdens het jaar of op de beginbalans, dit aanleiding kan zijn om de regeling van de IB/PV aangiften van alle openstaande jaren van de dga aan te houden. Bestrijding leidt tot correcties bij de aanslagregeling of tot navordering. Dat zal vrijwel steeds gepaard gaan met het opleggen van een boete of soms zelfs het opstarten van een strafrechtelijk traject. Als een standpunt in vooroverleg wordt gevraagd dan wordt (mede op basis van het Besluit fiscaal bestuursrecht van 15 februari 2016, nr. BLKB 2016/19, onderdeel 4) in het kader van vooroverleg geen inhoudelijk standpunt ingenomen en wordt gemeld dat in plaats daarvan het door belanghebbende in te nemen standpunt (zo nodig bij aanslagregeling) bestreden zal worden. Uit het memo komt ook naar voren dat de stelling van de belastingplichtige dat er sprake was van een schijnlening niet snel zal worden aangenomen. De stelling dat er jaren geleden sprake was van een schijnlening wordt als zodanig als een nieuw feit beschouwd voor jaren die binnen de navorderingstermijn liggen.

Bron: MvF 22-02-2017, 2017-0000023352