Loon tijdens tijdelijke inactiviteit

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat het loon tijdens tijdelijke inactiviteit als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking moet worden aangemerkt. Niet van belang is volgens de rechtbank of de werknemer daarna weer voor de werkgever gaat werken. De 30%-regeling is tijdens de inactiviteit niet meer van toepassing. Daarvoor is het namelijk noodzakelijk dat er ook daadwerkelijk werkzaamheden worden verricht.

Een Amerikaan werkt voor een Nederlandse vennootschap en ontvangt zijn loon met toepassing van de 30%-regeling. Op een gegeven moment deelt de vennootschap mee dat de arbeidsovereenkomst zal worden beëindigd. Op grond van de, in het kader van het ontslag, gesloten vaststellingsovereenkomst is de Amerikaan voor de periode van 1 december 2013 tot 1 september 2014 vrijgesteld van werkzaamheden.
De vraag is of de 30%-regeling ook van toepassing is op de inkomsten na 1 december 2013. Dat is het geval als het inkomen ook dan kwalificeert als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en als de beëindiging van de feitelijke werkzaamheden niet leidt tot beëindiging van de 30%-regeling.
Met ingang van 1 januari 2013 is loon genoten wegens tijdelijke inactiviteit als bedoeld in art. 7:628 van het Burgerlijk Wetboek voor een tijdvak van maximaal 104 weken gelijkgesteld met loon uit tegenwoordige arbeid. In het genoemde artikel is opgenomen dat de werknemer het recht op het naar tijdruimte vastgestelde loon behoudt indien hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. Uit civiele jurisprudentie blijkt dat een schorsing of een op non-actiefstelling altijd voor rekening van de werkgever komt, ook als de werknemer aanleiding heeft gegeven tot de maatregel. De Amerikaan heeft dus door de op non-actiefstelling, recht gehouden op het naar tijdruimte vastgestelde loon (art. 7:628 lid 1 BW). Daarom is de rechtbank van mening dat het inkomen van de Amerikaan ook na 1 december 2013 als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking kwalificeert.
De Amerikaan heeft echter geen recht op toepassing van de 30%-regeling. Uit de voorwaarden voor toepassing van de 30%-regeling blijkt, naar het oordeel van de rechtbank, dat een belastingplichtige die gebruik wil maken van de 30%-regeling, ook feitelijk werkzaamheden voor zijn werkgever dient te verrichten. Nu de Amerikaan in januari 2014 geen werkzaamheden meer verrichtte, was de bewijsregeling niet meer van toepassing.
 
Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 14-08-2015, AWB - 14 _ 6697 (ECLI:NL:RBZWB:2015:8051)