Luxe woning met werkruimte tot privévermogen gerekend

Volgens Rechtbank Den Haag heeft de inspecteur terecht de nieuw gebouwde luxe woning tot het privévermogen van een tandarts-implantoloog gerekend. Volgens de rechtbank stond bij de keuze en de bouw van de woning de persoonlijke wens van de tandarts om een comfortabele privé woonruimte ter beschikking te hebben voorop en niet zozeer de eisen van een goede en succesvolle bedrijfsuitoefening.

 

Een tandarts-implantoloog geeft opdracht voor de bouw van een luxe woning. De investering bedraagt € 3.600.000. Hij verricht vervolgens één dag per week en in het weekend zijn werkzaamheden vanuit de woning. De overige dagen werkt hij vanuit zijn praktijkpand. Verder werkt één medewerker twee dagen per week vanuit de woning. De tandarts heeft zijn woning als ondernemingsvermogen aangemerkt. De inspecteur is echter van mening dat de woning tot het privévermogen van de tandarts gerekend moet worden. Rechtbank Den Haag stelt de inspecteur in het gelijk. Volgens de rechtbank stond bij de keuze en de bouw van de woning de persoonlijke wens van de tandarts om een comfortabele privé woonruimte ter beschikking te hebben voorop en niet zozeer de eisen van een goede en succesvolle bedrijfsuitoefening. Voorts wordt volgens de rechtbank de bijzonder kostbare onroerende zaak overheersend voor privédoeleinden gebruikt. De rechtbank overweegt daarbij dat het zwembad, de sauna, de stoomcabine, het botenhuis, de aanlegsteiger en de bijbehorende grond geen functie hebben binnen de onderneming van de tandarts. De rechtbank oordeelt dan ook dat de tandarts bij zijn wil om de gehele onroerende zaak tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen niet binnen de grenzen van de redelijkheid is gebleven. Dat meer dan 10% van de oppervlakte van de woning voor de onderneming wordt gebruikt, leidt niet tot een ander oordeel.
 
Bron: Rb. Den Haag 21-09-2017, 16_9253 IBPVV (ECLI:NL:RBDHA:2017:11003)