Omstandigheden voor matiging verzuimboete Vpb

Naar aanleiding van een WOB-verzoek heeft de staatssecretaris van Financiën een memo van de Belastingdienst openbaar gemaakt. Het memo geeft een jurisprudentieoverzicht met zaken waarin verzuimboeten Vpb zijn gematigd. Het overzicht geeft inzicht in een aantal strafverminderende omstandigheden.

Per 1 januari 2016 is het matigingsbeleid voor verzuimboeten inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting komen te vervallen. Tegelijkertijd zijn de praktische werkafspraken Belastingdienst daarover ingetrokken. In een WOB-verzoek wordt gevraagd of er sprake is van een nieuwe werkinstructie. De staatssecretaris laat weten dat dit niet het geval is. De indieners van het WOB-verzoek hebben uit telefonische informatie van de Belastingdienst begrepen dat er een handelwijze is waarbij verzuimboeten bij een eerste verzuim voor de aangifte Vpb worden gehalveerd of worden teruggebracht tot € 500. Er is in dit opzicht volgens de staatssecretaris echter geen sprake van beleid. Medewerkers van de Belastingdienst hebben wel in 2016 een jurisprudentieoverzicht ontvangen dat betrekking heeft op de matiging van verzuimboeten.

Dit memo heeft de staatssecretaris in verband met het WOB-verzoek openbaar gemaakt. Voor richtlijnen bij het matigen van bovenstaande verzuimboeten (op grond van par. 7 BBBB) moet zoveel mogelijk te rade worden gegaan bij de rechtspraak. Uit het memo blijkt dat er de laatste jaren vrijwel geen uitspraken verschenen zijn over matiging van verzuimboeten voor de inkomstenbelasting. Het memo geeft een overzicht van relevante hofuitspraken over de matiging van verzuimboeten vennootschapsbelasting waarbij de strafverminderende omstandigheden met het bedrag van de gematigde verzuimboete worden getoond.

Deze hofuitspraken geven het volgende beeld: bij een samenstel van strafverminderende omstandigheden wordt vaak gematigd naar € 500. Daarbij leiden de volgende vier omstandigheden vaak tot matiging: (1) geringe termijnoverschrijding (van maximaal 10 dagen), (2) eerste verzuim, (3) kleine, met eenmanszaak vergelijkbare, Vpb-plichtige en (4) slechte financiële positie of beperkte draagkracht.

Als een belanghebbende in zijn bezwaarschrift één van de vier hiervoor genoemde omstandigheden aannemelijk maakt, wordt in ieder geval matiging overwogen (halvering van standaardboete). Als een belanghebbende in zijn bezwaarschrift twee of meer van de vier hiervoor genoemde omstandigheden aannemelijk maakt, wordt in ieder geval matiging overwogen (naar ongeveer € 500).

Bron: MvF 18-04-2017, 2017-0000071930