Ondanks kenbare vergissing geen navordering erfbelasting

Het toepassen van de verkeerde tariefgroep na een beoordelingsfout levert volgens de Rechtbank Gelderland geen schrijf- of tikfout op die door navordering kan worden hersteld, ook al is de vergissing kenbaar voor de vrouw. De wetswijziging per 1 januari 2010 brengt hierin geen wijziging.

Erflater overlijdt in 2012. Zijn zus is één van de drie erfgenamen. De erfgenamen doen op 5 februari 2013 gezamenlijk aangifte voor de erfbelasting. Er is daarbij een saldo van de nalatenschap opgegeven van
€ 1.658.674. De verkrijging van de vrouw bedroeg € 552.891.

 

Bij brief van 26 maart 2013 deelt de Belastingdienst mee dat de aanslag erfbelasting zal worden opgelegd naar een saldo van € 1.972.103, omdat geen rekening wordt gehouden met een opgevoerde schuld van € 313.429. De vrouw krijgt vervolgens de aanslag opgelegd waarbij rekening is gehouden met het tarief dat geldt voor afstammelingen in de eerste graad (ouders/kinderen) en de daarbij behorende vrijstelling, zodat de vrouw € 116.079 moet betalen. In 2015 komt de Belastingdienst er achter dat bij het opleggen van de aanslag een onjuist tarief en daardoor een onjuiste vrijstelling is gehanteerd en gaat over tot navordering. Het door de vrouw te betalen bedrag is verhoogd tot € 250.570. De vrouw gaat hiertegen in bezwaar en na afwijzing van haar bezwaar in beroep.

 

Rechtbank Gelderland oordeelt dat, ook al is de vergissing kenbaar voor de vrouw, het toepassen van de verkeerde tariefgroep geen schrijf- of tikfout is die door navordering kan worden hersteld. De wetswijziging per 1 januari 2010 heeft hierin geen wijziging gebracht. De rechtbank acht van belang dat in de aangifte geen keuze is gemaakt voor een tariefgroep. Uit de aangifte blijkt slechts in welke familieverhouding erflater tot de erfgenamen staat. Door een medewerker van de Belastingdienst is bij het invoeren van de papieren aangifte de keuze gemaakt voor een tariefgroep, door het toekennen van een cijfercode. De collega die hem controleerde zag geen aanleiding om dit te wijzigen. Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn een onjuist inzicht van die medewerker in de feiten en/of het recht. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de Belastingdienst niet het vereiste bewijs heeft geleverd voor zijn stelling dat er sprake is van een fout als bedoeld in artikel 16, tweede lid, letter c, van de AWR. Het beroep van de vrouw wordt daarom gegrond verklaard.

 

Bron: Rb. Gelderland 14-07-2017, AWB - 16 _ 1419 (ECLI:NL:RBGEL:2017:3683)