Opstartkosten aftrekbaar ondanks snel staken activiteiten

Een vrouw staakt kort na de start van haar modezaak alweer haar activiteiten. Volgens Rechtbank Den Haag is dat geen reden om haar activiteiten niet als winst uit onderneming te kwalificeren. De opstartkosten kwamen dan ook voor aftrek in aanmerking.

 

Een vrouw, die in het verleden al eens een modezaak heeft gehad, start in 2014 een nieuwe modezaak. Ze huurt daarvoor in mei 2014 winkelruimte, die zij vervolgens ook inricht. Verder koopt zij voorraad in. Haar toenmalige echtgenoot financierde de opstartkosten van € 19.612. In augustus 2014 eindigt de relatie van de vrouw in een scheiding. Sedertdien beschikt zij niet langer over financiële middelen om in haar modezaak te investeren. Door omstandigheden vond verder geen uitlevering plaats van de door de vrouw ingekochte (en deels betaalde) kleding. Daarnaast werd een financieringsaanvraag van de vrouw afgewezen omdat niemand borg voor haar stond. De vrouw besluit daarop te stoppen met haar modezaak. In geschil is of de gemaakte kosten voor het opzetten van de winkel voor de vrouw aftrekbaar zijn en in het bijzonder of de activiteiten die zij heeft ondernomen een bron van inkomen zijn.
 
Rechtbank Den Haag overweegt dienaangaande dat er een objectieve voordeelsverwachting was bij de aanvang van de activiteiten. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de vrouw al eerder een modezaak had. Dat de activiteiten door omstandigheden niet verder van de grond zijn gekomen doet hier volgens de rechtbank niet aan af. De inspecteur heeft volgens de rechtbank niet goed onderbouwd waarom de activiteiten niet als winst uit onderneming maar slechts als resultaat uit overige werkzaamheden vallen aan te merken. Vaststaat dat dat de activiteiten van de vrouw in het economisch verkeer hebben plaatsgevonden en dat zij het oogmerk had gehad om daarmee voordeel te behalen. De rechtbank acht daarom een bron van inkomen aanwezig en beslist dat de activiteiten van de vrouw kwalificeren als winst uit onderneming. De vrouw heeft volgens de rechtbank echter niet aannemelijk gemaakt dat zij aan het urencriterium heeft voldaan. De rechtbank vernietigt tot slot de opgelegde verzuimboete omdat de vrouw enkele dagen na de datum van verzending van de aanmaning tot het doen van aangifte was verhuisd en niet kan worden uitgesloten dat zij de aanmaning niet heeft ontvangen. Het beroep van de vrouw is gegrond.
 
Bron: Rb. Den Haag 29-08-2017, 17_505 IBPVV (ECLI:NL:RBDHA:2017:9854)