Redelijke termijn overschreden, schadevergoeding verdeeld

In een procedure bij de fiscus en voor de rechtbank werd de redelijke termijn met maar liefst 33 maanden overschreden. De belastingplichtige kwam daarom in aanmerking voor een schadevergoeding: deels voor rekening van de fiscus, deels voor het ministerie van Veiligheid & Justitie.

Een vennootschap vordert vergoeding van immateriële schade wegens de lange termijn die verstreken is sinds de indiening van haar bezwaarschrift, dat op 29 augustus 2012 door de inspecteur ontvangen is. De inspecteur doet op 26 november 2012 uitspraak op bezwaar zonder belanghebbende te horen. Daartegen stelt de vennootschap beroep in. Op 13 maar 2015 doet de rechtbank uitspraak. De uitspraak van de inspecteur wordt vernietigd en de zaak wordt naar de inspecteur terugverwezen zodat de vennootschap alsnog kan worden gehoord. Na de vennootschap te hebben gehoord, doet de inspecteur op 23 juni 2015 uitspraak. De rechtbank doet vervolgens uitspraak op 22 mei 2017. Sinds de aanvang van de termijn tot de uitspraak van de rechtbank zijn dan 57 maanden verstreken.

 

De rechtbank oordeelt dat als uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn voor de behandeling in de bezwaarfase en de beroepsfase tezamen niet meer dan twee jaar mag bedragen. De overschrijding bedraagt dus 33 maanden, hetgeen de vennootschap recht geeft op een vergoeding van € 3.000. De overschrijding dient volgens de rechtbank geheel aan de inspecteur te worden toegerekend, tenzij in de loop van de hele procedure een of meer keer sprake is geweest van een langere behandelduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd. Dit is naar het oordeel van de rechtbank het geval geweest. De rechtbank verdeelt de vergoeding tot immateriële schade tussen de inspecteur en de Minister van Veiligheid en Justitie in de verhouding 18:15. De rechtbank erkent dat het wellicht opmerkelijk is dat de inspecteur een vergoeding dient te betalen, hij heeft immers telkens binnen zes maanden gehandeld. Maar omdat de inspecteur een procedurefout had gemaakt wordt de duur van de eerste gerechtelijke procedure hem toegerekend en zodoende is de aan de inspecteur toegerekende 18 maanden overschrijding toch terecht.

 

Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 22-05-2017, BRE-15_4847 (ECLI:NL:RBZWB:2017:3332)