‘Ruis’ over de gezagsrelatie geen reden voor beboeting

Op 18 november meldde de staatssecretaris in een Kamerbrief dat de implementatietermijn van de Wet DBA wordt verlengd. Die Kamerbrief en de bijlagen daarbij leidde tot nieuwe vragen. Met name ten aanzien van de handhaving in geval van ‘kwaadwillenden’. De staatssecretaris stelt gerust: ‘ruis’ over de gezagsrelatie is geen reden voor beboeting, opzet, fraude en zwendel wel.

De handhaving van de Wet DBA wordt uitgesteld tot 1 januari 2018, behalve voor kwaadwillenden. In een bijlage bij de Kamerbrief van 18 november 2016 wordt hiervan de volgende definitie gegeven: ‘Kwaadwillend is de opdrachtgever of opdrachtnemer die opzettelijk een situatie van evidente  schijnzelfstandigheid laat ontstaan of voortbestaan, omdat hij weet – of had kunnen weten - dat er feitelijk sprake is van een dienstbetrekking (en daarmee een oneigenlijk financieel voordeel behaalt en/of het speelveld op een oneerlijke manier aantast)’.

Het Kamerlid Klein vroeg zich af, of niet alle organisaties alsnog als kwaadwillend kunnen worden aangemerkt? De in de bijlage opgenomen omschrijving was volgens hem in tegenspraak met de signaalwerking van de Kamerbrief.

In antwoord op de Kamervragen van Klein geeft staatssecretaris Wiebes aan dat het echter gaat om ‘echt uitzonderlijke gevallen’. Handhaving is wel aan de orde in situaties waarin partijen evident zo ver buiten het wettelijk kader treden dat de Belastingdienst dat niet mag laten lopen. ‘Vanzelfsprekend gaat het daarbij dus niet om een zelfstandige professional bij wie er ruis is over de gezagsrelatie.’ Het gaat om uitzonderlijke gevallen waarin opdrachtgevers opereren in een context van opzet, fraude of zwendel. Dit komt volgens de staatssecretaris slechts beperkt voor. Hij herhaalt zijn schatting die hij eerder tegenover de Eerste Kamer heeft gedaan dat het gaat om een ordegrootte van circa tien gevallen. Voor opdrachtgevers en –nemers die niet in die categorie vallen herhaalt Wiebes zijn toezegging dat zij ten minste tot 2018 niet hoeven te vrezen voor boetes en naheffingen.

Bron: MvF 25-11-2016, 016-0000213057