Stamrechtaanspraak terecht tot het loon gerekend

Hof Amsterdam heeft beslist dat nu er geen stamrechtuitkeringen zijn gedaan, de aanspraak is prijsgegeven en die aanspraak door de inspecteur terecht tot het loon is gerekend.

 

Een man heeft een stamrecht-bv, waaruit hij tot 2007 uitkeringen geniet. Deze uitkeringen heeft hij als loon uit dienstbetrekking aangegeven. De stamrecht-bv heeft de uitkeringen als loon in mindering gebracht op haar winst, maar deze niet als stamrechtuitkeringen aangeduid of ten laste van de stamrechtvoorziening gebracht. In 2007 wordt de man 65 jaar en laat hij een pensioenkapitaal van € 630.000 aan de stamrecht-bv overdragen. De uitkeringen aan de man in 2007 brengt de stamrecht-bv dan ten laste van de pensioenvoorziening. Ten laste van de stamrechtvoorziening wordt in 2007 niets uitgekeerd. In 2012 legt de inspecteur aan de man een IB-navorderingsaanslag op over 2007. Het inkomen van de man is verhoogd met de waarde van de stamrechtaanspraak. Volgens de inspecteur moet de waarde van de stamrechtaanspraak namelijk op grond van art. 3.82 Wet IB 2001 juncto art. 19b Wet LB 1964 tot het loon worden gerekend. De man deelt deze mening niet. Uiteindelijk buigt Hof Amsterdam zich over deze kwestie, nadat de Hoge Raad de zaak heeft verwezen. Het hof stelt de inspecteur in het gelijk. Volgens het hof heeft de man niet aannemelijk gemaakt dat vóór 2007 stamrechtuitkeringen zijn gedaan. Aangezien ook vanaf 2007, afgezien van een eenmalige uitkering van € 5.950, geen stamrechtuitkeringen zijn gedaan, heeft de man volgens het hof zijn aanspraak prijsgegeven. Het hof beslist dat die aanspraak tot het loon uit vroegere dienstbetrekking moet worden gerekend op het onmiddellijk aan dat prijsgeven voorafgegane tijdstip. De inspecteur wordt in het gelijk gesteld.

 

Bron: Hof Amsterdam 27-07-2017, nr. 17/00129 (ECLI:NL:GHAMS:2017:3737); HR 17-02-2017, nr.16/01006 (ECLI:NL:HR:2017:249)