Verhuur appartement en parkeerplaats is één economische handeling

De verhuur van een appartement en een parkeerplaats in één complex moet als één economische handeling worden aangemerkt. Een afzonderlijke overeenkomst voor de verhuur van de parkeerplaatsen is onvoldoende om deze verhuur als belaste verhuur aan te merken.

Een fiscale eenheid heeft in het kader van haar onderneming een gebouw met daaronder een parkeerkelder gerealiseerd. Het gebouw staat op een perceel grond dat is vrijgekomen na sloop en is omstreeks juni 2011 in gebruik genomen. De begane grond van het complex is een gezondheidscentrum met daarin onder andere een apotheek, daarboven bevinden zich verzorgingshuisplaatsen, verpleeghuisplaatsen en zelfstandige woonappartementen. In de parkeerkelder bevinden zich 44 genummerde parkeerplaatsen. Het gezondheidscentrum en de parkeerkelder zijn voor de Wet OB als afzonderlijke onroerende zaken te beschouwen. De ondergrondse parkeerplaatsen verhuurt de fiscale eenheid op basis van een afzonderlijke overeenkomst en tegen een afzonderlijke vergoeding aan diverse gegadigden.

In het incidentele beroep van de fiscale eenheid is het de vraag of de verhuur in 2011 van dertien parkeerplaatsen aan de bewoners van de bovengelegen appartementen is vrijgesteld van omzetbelasting. De fiscale eenheid stelt op basis van Europese jurisprudentie dat de verhuur van parkeerplaatsen aan de bewoners ten onrechte tezamen met de verhuur van de appartementen is aangemerkt als één economische (vrijgestelde) verhuurhandeling. De rechtbank oordeelde ten aanzien van deze dertien parkeerplaatsen dat zowel de parkeerplaatsen als de appartementen deel uitmaken van één onroerend complex; dat de appartementen en de parkeerplaatsen door dezelfde verhuurder, de fiscale eenheid, aan dezelfde huurders zijn verhuurd en dat onder deze omstandigheden de verhuur van een appartement en een parkeerplaats als één economische handeling moet worden aangemerkt zodat de verhuur van de parkeerplaatsen deelt in de vrijstelling voor de verhuur van de appartementen. Hof Amsterdam is het hiermee eens.

Met het argument van de fiscale eenheid dat zij aan een besluit van de staatssecretaris (paragraaf 7.4.3, punt 2) het vertrouwen kan ontlenen dat de verhuur van parkeerplaatsen aan de bewoners moet worden aangemerkt als de belaste verhuur van parkeerplaatsen nu de onderhavige verhuur is vastgelegd in een afzonderlijke overeenkomst, is het hof het niet eens. Volgens het hof wordt in de genoemde paragraaf onder punt 1 aangegeven dat de verhuur van parkeerruimte op gaat in de verhuur van bijvoorbeeld een woning, als beide deel uitmaken van hetzelfde gebouwencomplex en door dezelfde eigenaar aan dezelfde huurder worden verhuurd. Het hof is van oordeel dat het gestelde in punt 2 moet worden uitgelegd in het licht van het gestelde in punt 1 en voorts dat aan het gestelde in punt 1 niet het in rechte te beschermen vertrouwen kan worden ontleend dat een geval als het onderhavige daar niet onder kan worden begrepen.

 

Bron: Hof Amsterdam 14-06-2016 (publ. 3-08-2016), nr. 15/00595 (ECLI:NL:GHAMS:2016:3104)