Verhuur van opslagboxen vrijgesteld van btw

De voor opslag ter beschikking gestelde voorzieningen, zoals bewaking en verwarming, zijn volgens de Hoge Raad van ondergeschikt belang aan het voor een bepaalde duur ter beschikking stellen van de opslagruimte. De verhuur van opslagruimten is vrijgesteld van btw.

 

Een btw-ondernemer verhuurt opslagruimten aan particulieren en ondernemers. De verhuurder zorgt voor de bewaking en verwarming van het pand en stelt indien nodig transportmiddelen ter beschikking. De huurders hebben gedurende de openingstijden van het pand toegang tot de door hen gehuurde opslagruimte. Zij mogen alleen in het pand komen voor laden en lossen. Er zijn geen aansluitingen voor elektriciteit en de huurders mogen hun opslagruimte niet aan derden ter beschikking te stellen. De ondernemer brengt btw in rekening en brengt de aan hem in rekening gebrachte btw volledig in aftrek. De inspecteur vindt dat de terbeschikkingstelling van de opslagruimten moet worden aangemerkt als verhuur van onroerende zaken en dus is vrijgesteld. Een naheffingsaanslag btw volgt.

 

Volgens de Hoge Raad is de verhuur van een onroerende zaak in de regel een betrekkelijk passieve activiteit die enkel verband houdt met het tijdsverloop en geen toegevoegde waarde van betekenis oplevert. Als de verhuur ook andere activiteiten omvat, moet worden beoordeeld of deze andere activiteiten als bijkomstig aan die terbeschikkingstelling moeten worden beschouwd. Als het gaat om handelingen waarvan duidelijk is dat zij worden verricht om een specifiek gebruik van de onroerende zaak door de huurder te faciliteren, moet worden beoordeeld of deze activiteiten voor het doel van het gebruik van de ter beschikking gestelde onroerende zaak van ondergeschikt belang zijn en daarom geen toegevoegde waarde van betekenis opleveren. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de door de ondernemer voor opslag ter beschikking gestelde voorzieningen van ondergeschikt belang zijn aan het voor een bepaalde duur ter beschikking stellen van een onroerende zaak.
 
Bron: HR 20-04-2018, nr. 16/03303(ECLI:NL:HR:2018:634)