Vermogensrendementsheffing 2014 in strijd met eigendomsrecht

Hof Amsterdam oordeelt dat in 2014 de vermogensrendementsheffing in strijd is met het recht op eigendom. De box 3-heffing van 1,2% was in 2014 geen proportionele heffing meer, aangezien het gemiddelde jaarlijkse reële rendement op spaarrekeningen over de jaren 2001 – 2012 0,5% was.

 

Het box 3 vermogen van een vrouw bestond op 1 januari 2014 volledig uit banktegoeden tot een bedrag van € 127.954 waarop zij € 1.336 aan rente ontving. Zij doet aangifte IB/PV 2014 naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.272. Op de aanslag IB/PV 2014 is zij € 1.281 box 3 heffing verschuldigd. Haar bezwaarschrift tegen deze aanslag is aangewezen als massaal bezwaar in de zin van art. 25a AWR. In geschil is of de vermogensrendementsheffing op spaarsaldi naar haar aard in strijd is met artikel 1 EP EVRM (recht op ongestoord genot van eigendom), zonder dat in geschil is of sprake is van schending van de fair balance op grond van een individuele en excessieve last.

 

Hof Amsterdam overweegt dat de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2016:1129) heeft geoordeeld dat het forfaitair rendement van 4% pas in strijd is met art. 1 EP EVRM als dit rendement voor particuliere beleggers gedurende een lange reeks van jaren niet meer haalbaar is. In het jaar 2011 was volgens de Hoge Raad nog niet voldaan aan deze voorwaarde. Het hof leidt uit de parlementaire geschiedenis af dat de wetgever bij de vaststelling van de hoogte van het forfaitair rendement van 4% voor ogen heeft gehad dat dat rendement haalbaar moet zijn voor een particuliere belegger die weinig risico wenst te nemen.

 

Voor het jaar 2014 concludeert het Hof dat het reële rendement op risicovrije beleggingen (spaarrekeningen, staatsleningen en obligaties) over een lange termijn in aanzienlijke mate afwijkt van het bij de invoering van de vermogensrendementsheffing voorziene (reële) rendement van 4%. Het destijds voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 4% is voor particulieren in 2014 niet meer haalbaar. Er is daarom sprake van schending van de op grond van art. 1 EP EVRM vereiste ‘fair balance’. Gelet op de aan de wetgever toekomende (ruime) beoordelingsmarge en de rechtsstatelijke positie van de rechter moet de wetgever echter enige tijd worden gegund om in de geconstateerde disbalans te voorzien. De aanslag inkomstenbelasting 2014 blijft derhalve in stand. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
 
Bron: Hof Amsterdam, 16-01-2018, 17/00112 (ECLI:NL:GHAMS:2018:83)