Vermogensrendementsheffing niet in strijd met eigendomsrecht

Rechtbank Noord-Nederland heeft zich op 19 januari 2017 aangesloten bij de uitspraak van de Bredase rechtbank van 11 januari 2011 over fictief rendement. De uitspraak houdt in dat de vermogensrendementsheffing die de fiscus oplegt, niet in strijd is met Europese verdragen.

In een proefprocedure over het belastingjaar 2014 over de houdbaarheid van de box-3 heffing, past de rechtbank Noord-Nederland het arrest toe van de Hoge Raad van 10 juni 2016. In dat arrest ging het om de vraag of het destijds door de wetgever veronderstelde rendement van 4% voor een lange reeks van jaren voor particulieren inmiddels 'niet meer haalbaar is'. De rechtbank beslist dat die vraag pas kan worden beantwoord nadat een periode van ten minste tien aaneengesloten jaren is verstreken waarin het rendement op risico-arme beleggingen (zoals staatsobligaties van landen met een hoge kredietwaardigheid) telkens lager is geweest dan 4%. De rechtbank komt vervolgens tot de conclusie dat de belastingplichtige niet heeft bewezen dat eind 2013 ten minste tien aaneengesloten jaren met een dergelijk onderrendement waren verstreken en verklaart daarom het beroep ongegrond.

De vermogensrendementsheffing gaat uit van een fictief rendement van 4% op vermogens, waarover vervolgens 30% belasting moet worden betaald. Dat rendement van 4% werd de afgelopen jaren echter vaak niet gehaald vanwege de lage rente. De heffing is daarom volgens de Bond voor Belastingbetalers in strijd met het eigendomsrecht, zoals dat is vastgelegd in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (art. 1 Eerste Protocol EVRM).

Voor de Bond voor Belastingbetalers komt de uitspraak niet geheel onverwacht, aldus voorzitter Jurgen de Vries. De Vries zegt dat de bond op basis van alle uitspraken gaat bekijken welke juridische vervolgstappen zij nog gaan zetten.

Bron: Rb. Noord-Nederland 19-01-2017, AWB - 16 _ 783 (ECLI:NL:RBNNE:2017:153)