Verstrekking werknemersaandelen kan onder de WKR vallen

In een voor zover bekend eerste uitspraak over het gebruikelijkheidscriterium in de werkkostenregeling haalt Rechtbank Noord-Holland de doelmatigheidsgrens van € 2.400 onderuit. De inspecteur moet niet toetsen aan dit bedrag, maar aangeven dat een verstrekking ongebruikelijk is.

Een vennootschap kent bij een aan haar gelieerde nv een aandelenplan. Medewerkers uit een door de directie aangewezen groep zijn gerechtigd tot verwerving van een of meer planaandelen tot een maximum van 75% van de bruto bonus. Op de uitkeringsdatum is elk van die medewerkers voor elk planaandeel dat in zijn bezit is gerechtigd tot verwerving van één aandeel om niet door bijschrijving van dat aandeel op zijn effectenrekening. Daarnaast ontvangt hij een bedrag in contanten. De vennootschap draagt zorg voor de inhouding en afdracht van de verschuldigde loonheffingen en compenseert de medewerkers daarvoor. In de jaren vóór 2012 werden de om niet toegekende aandelen regulier bij de betreffende medewerkers individueel verloond tegen een gebruteerd tarief van 108,3%. Met ingang van 2012 de vennootschap past de werkkostenregeling toe en worden de aandelen aangewezen als eindheffingsbestanddeel in de zin van de werkkostenregeling.

De Belastingdienst volgt de aanwijzing van de aandelen als werkkosten niet en Rechtbank Noord-Holland mag beoordelen of de om niet verstrekte aandelen terecht als werkkosten zijn aangewezen.

De rechtbank overweegt dat uit de wet volgt dat de aan te wijzen vergoedingen en verstrekkingen werkkosten zijn, voor zover zij niet in belangrijke mate hoger zijn dan in overige overeenkomstige omstandigheden gebruikelijk is. Uit de parlementaire behandeling blijkt dat de gebruikelijkheidstoets erop gericht is om oneigenlijk gebruik te beperken en de inspecteur de mogelijkheid moet bieden om extreme situaties te bestrijden.

De inspecteur stelt dat het in deze zaak gaat om verstrekkingen van aanzienlijke waarde en dat ze daarom niet als werkkosten kunnen worden aangewezen. Die redenering volgt de rechtbank niet: eerst moet worden vastgesteld wat gebruikelijk is in overigens overeenkomstige omstandigheden, zodat kan worden beoordeeld of daarvan al dan niet in belangrijke mate (30%) kan worden afgeweken. Zolang het geen in de wet genoemde kosten zijn, die niet als werkkosten kunnen worden aangewezen, moet de gebruikelijkheidstoets worden gehanteerd. De inspecteur heeft in het geheel niet duidelijk kunnen maken waarmee hij de onderhavige situatie heeft vergeleken. Dat de door de fiscus gehanteerde doelmatigheidsgrens van € 2.400 sinds 1 oktober 2014 in het Handboek Loonheffingen is opgenomen en dat inhoudingsplichtigen deze grens over het algemeen accepteren, leidt niet tot het oordeel dat daarmee het verlangde bewijs is geleverd. Dit geldt ook voor zijn stelling dat bij de beoordeling van de gebruikelijkheid een mogelijk tariefvoordeel een rol speelt. De rechtbank komt tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat de aandelen niet mochten worden aangewezen als werkkosten.

 

Bron: Rb. Noord-Holland 14-09-2016, nr. HAA – 14_2599 en 15_2207 (ECLI:NL:RBNHO:2016:7583)