Verstrekte aandelen vallen niet onder werkkostenregeling

Volgens Hof Amsterdam doorstaat de verstrekking van een aandelenpakket aan enkele werknemers de gebruikelijkheidstoets van de werkkostenregeling niet. Rechtbank Noord-Holland had in eerste instantie geoordeeld dat de inspecteur niet had aangetoond dat de verstrekking van de aandelen ‘in belangrijke mate hoger zijn dan in voor het overige overeenkomstige omstandigheden gebruikelijk is’.

 

Een werkgever kent in het kader van een aandelenplan om niet aandelen toe aan haar werknemers. In de jaren vóór 2012 heeft de werkgever deze om niet toegekende aandelen regulier bij de werknemers verloond, waarbij de netto waarde van de aandelen is gebruteerd tegen 108,3%. Vanaf 2012 past de werkgever de werkkostenregeling toe. De aandelen wijst de werkgever sindsdien aan als eindheffingsbestanddeel. Omdat de vrije ruimte wordt overschreden geeft de werkgever over december 2012 een bedrag aan als eindheffing (op basis van een tarief van 80%). De inspecteur accepteert de aanwijzing van de aandelen als eindheffingsbestanddeel niet en legt over 2012 en 2013 naheffingsaanslagen op met toepassing van het gebruteerde tabeltarief van 108,3%. De inspecteur vermindert de naheffingsaanslagen door een bedrag van € 2.400 per werknemer per jaar te accepteren als eindheffingsloon. Vraag is of de werkkostenregeling van toepassing is.

 

Op basis van de wetsgeschiedenis gaat de werkkostenregeling er volgens het hof van uit dat alle vergoedingen en verstrekkingen, ook die naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren, tot het loon behoren. Van daaruit zijn kosten gericht vrijgesteld of kan de werkgever ze aanwijzen als werkkosten. De keuze voor het begrip ‘werkkosten’ kwam voort uit de wens om te illustreren dat het hier om kosten gaat die de werknemer maakt in het kader van zijn dienstbetrekking. Tot de werkkosten behoren, behalve puur zakelijke kosten, vergoedingen en verstrekkingen aangeduid als ‘zwak loon’ (loon met een gemengd karakter). Daarnaast mag het loon niet in belangrijke mate hoger zijn dan in voor het overige overeenkomstige omstandigheden gebruikelijk is: de gebruikelijkheidstoets. De werkkostenregeling is niet bedoeld om verruiming te creëren ten opzichte van de voor 2011 vrijgestelde vergoedingen en verstrekkingen. De regeling moet ook niet zo worden uitgelegd dat zij ruimte biedt voor oneigenlijk gebruik op die manier dat vergoedingen en verstrekkingen zonder zakelijk of gemengd karakter onder de werkkostenregeling kunnen worden gebracht. Het hof oordeelt dat de aandelen de gebruikelijkheidstoets niet kunnen doorstaan. Het gaat om een toekenning om niet van een in aantal en waarde omvangrijk pakket aandelen. Het gaat om zuiver beloningsloon; de toekenning dient niet ter vergoeding van werkkosten die door de werknemers daadwerkelijk zijn gemaakt. Het gaat bovendien om een selecte groep van werknemers aan wie aandelen zijn toegekend, wat het ongebruikelijke karakter ervan versterkt. Daarbij is sprake van een aanzienlijk voordeel: de gedeeltelijke vrijstelling en het tarief van 80% tegenover het tabeltarief van 108,3%. De tariefsarbitrage geeft oneigenlijk gebruik aan. Het hof oordeelt daarnaast dat de doelmatigheidstoets van € 2.400, die de Belastingdienst toepast, in lijn is met de uitgangspunten van de gebruikelijkheidstoets. Deze begrenzing van € 2.400 is ook uitdrukkelijk als aanknopingspunt genoemd in de wetsgeschiedenis. Het hoger beroep van de inspecteur is gegrond.
 
Bron: Hof Amsterdam 25-01-2018, 16/00421, 16/00422 (ECLI:NL:GHAMS:2018:169); Rb. Noord-Holland 14-09-2016, nr. HAA – 14_2599 en 15_2207 (ECLI:NL:RBNHO:2016:7583)