VOF failliet, vennoot mogelijk niet

De Hoge Raad komt terug op zijn regel dat het faillissement van een VOF steeds en noodzakelijkerwijs het faillissement van de vennoten ten gevolge heeft.

Een vennoot van een failliete VOF is het niet eens met zijn faillietverklaring. Hij verzoekt het hof om dit te vernietigen en hem alsnog tot schuldsanering toe te laten. Het hof wijst dit af: volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad heeft het faillissement van de VOF ook het faillissement van de vennoten tot gevolg. In de cassatie zaak komt de Hoge Raad echter terug op dit standpunt. Hoewel een VOF geen rechtspersoonlijkheid heeft, wordt in de praktijk en ook in de wetgeving een VOF wel vaak behandeld als een afzonderlijk rechtssubject dat zelfstandig aan het rechtsverkeer kan deelnemen en beschikt over een van de vennoten afgescheiden vermogen. Dat volgens de Faillissementswet op de aangifte tot faillietverklaring ook de naam en woonplaats van de vennoten moet zijn vermeld, betekent volgens de Hoge Raad niet dat een faillissement van de VOF steeds en zonder meer het faillissement van de vennoten meebrengt. Vaak is dit het geval, maar dat is niet noodzakelijk. De vennoot kan namelijk privé over voldoende vermogen beschikken om alle schuldeisers (van de VOF en privé) te voldoen.

Ook het feit dat de per schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen open staat voor natuurlijke personen met zakelijke schulden, maakt dat een vennoot die een schuldsaneringverzoek heeft ingediend, niet zonder meer failliet moet worden verklaard. Ook jurisprudentie van het Europese Hof en het EVRM (geen faillissement zonder dat daar afzonderlijk om is verzocht) zijn aanleiding voor de Hoge Raad om terug te komen op het eerdere standpunt. De schuldeiser van de zal dus het faillissement van de vennoten afzonderlijk moeten verzoeken en de rechter zal voor de vennoten afzonderlijk moeten onderzoeken of zij aan hun verplichtingen kunnen voldoen.

 

Bron:HR 06-02-2015, nr. 14/03627 (ECLI:NL:HR:2015:251)