Voldoe aan de voorwaarden voor aftrek MIA

Om gebruik te kunnen maken van de MIA moet worden voldaan aan de voorwaarden die op basis van de Milieulijst aan de investering worden gesteld. Wordt teveel niet-gecertificeerd duurzaam hout gebruikt, dan loopt men de MIA mis. De kleine marge die de inspecteur toestaat, wijzigt echter niet met omvang van de investering. 

Een holding met een dochtervennootschap (samen een fiscale eenheid) heeft in haar aangifte Vpb, in verband met de verbouwing van het door de dochtervennootschap gedreven hotel-restaurant, verzocht om milieu-investeringsaftrek (MIA). De verbouwing kan volgens de regels voor de MIA en de Vamil worden aangemerkt als ‘nieuw gebouw voor gecertificeerde dienstverlening’. Later blijkt dat het hout dat is gebruikt bij de verbouwing waarop de investering betrekking heeft, niet uitsluitend duurzaam gecertificeerd hout is, zoals is omschreven in de Milieulijst. De inspecteur stelt echter, in navolging van een door het Agentschap NL/NL Milieu en Leefomgeving (hierna: het Agentschap) verstrekt advies, dat MIA niet kan worden verleend, omdat bij de verbouwing waarop de investering betrekking heeft, niet uitsluitend gebruik is gemaakt van gecertificeerd hout. Het hof oordeelde dat het in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever is om MIA niet toe te passen als bij de investering, waarvoor om MIA wordt verzocht, niet uitsluitend gecertificeerd hout is verwerkt. Nu vaststaat dat bij de investering niet uitsluitend gebruik is gemaakt van gecertificeerd hout, heeft de inspecteur terecht geen MIA verleend voor de investering.

Volgens de Hoge Raad is het gebruik van duurzaam, gecertificeerd hout een voorwaarde om als investering in een bedrijfsmiddel in het kader van de MIA te worden aangemerkt. De MIA heeft immers ten doel langs fiscale weg investeringen in bedrijfsmiddelen te bevorderen die van belang zijn voor de bescherming van het Nederlandse milieu. In het licht van deze doelstelling moet, bij gebrek aan aanwijzingen in andere richting, de omschreven voorwaarde zo worden uitgelegd dat al het aangeschafte hout dat verwerkt wordt in het gebouw duurzaam is. Nu dat niet is gebeurt, heeft het hof terecht geoordeeld dat de investering niet aan deze voorwaarde voldoet. Voor toekenning van MIA op grond van een belangenafweging of een redelijke wetstoepassing is daarom geen plaats.

De holding voert nog aan dat sprake is van onaanvaardbare ongelijke behandeling van gelijke gevallen dan wel gelijke behandeling van ongelijke gevallen. Het beleid van de inspecteur bij de toepassing van MIA is dat indien bij investeringen voor ten hoogste € 500 aan niet-gecertificeerd hout is gebruikt, MIA niet wordt geweigerd op grond van het feit dat niet uitsluitend gecertificeerd hout is gebruikt. Vaststaat dat in dit geval voor meer dan € 500 gebruik is gemaakt van niet-gecertificeerd hout. Het beleid differentieert echter niet naar omvang van de investering. Door dit niet te doen wordt gewaarborgd dat in alle gevallen niet meer dan slechts een gering deel van het investeringsbedrag aan niet-gecertificeerd hout, tegen de bedoeling van de regeling in, deelt in de investeringsfaciliteit. De inspecteur heeft de MIA terecht geweigerd.

Bron: HR 08-07-2016, nr. 15/03816 (ECLI:NL:HR:2016:1355)