Voordeel voor dochter belast bij vader

Een werknemer moet belasting betalen over voordelen die opkomen uit zijn dienstbetrekking. Dit geldt ook voor voordelen die niet aan hemzelf toekomen maar aan een derde, bijvoorbeeld een familielid.

Voordelen die opkomen uit de dienstbetrekking die niet aan de werknemer zelf toekomen maar aan een ander, bijvoorbeeld een familielid, zijn niet zo uitzonderlijk als men zou denken. Denk bijvoorbeeld aan regelingen waarbij werknemers en hun familieleden en soms zelfs kennissen goedkoop producten bij de werkgever kunnen afnemen. Een meer uitzonderlijke casus was aan de orde bij een zaak voor Rechtbank Zeeland-West-Brabant. De zaak betrof een bestuurder van een zorginstelling die ook zeggenschap heeft in een zorgmanege die in een aparte stichting is ondergebracht. Zijn dochter is vanaf eind 2008 als vakantiekracht werkzaam op de zorgboerderij. Vanaf september 2011 is zij bij de zorgmanege als psycholoog in dienstbetrekking. Van februari 2009 woont zij op basis van een ‘anti-kraakovereenkomst’ gratis in een woning bij de manege, maar vanaf september 2011 betaalt zij hiervoor € 500 per maand. Daarnaast heeft zij, samen met een vriendin, de vrije beschikking over twee paarden en staat de dames een rijinstructeur ter beschikking.

Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de inspecteur onder meer de huurwaarde van de woning van de dochter bij de bestuurder belast als resultaat uit overige werkzaamheden.

Volgens de bestuurder heeft zijn dochter met haar werkzaamheden in natura betaald voor de woning, de paarden en de instructeur. De rechtbank is echter van mening dat het woongenot van de dochter en de beschikking over de paarden belast is als loon bij de vader. Het is aannemelijk dat hij door zijn functie als bestuurder zijn dochter haar hobby kon laten uitoefenen op kosten van zijn werkgever. Het enkele gegeven dat een paardenliefhebber die om niet dan wel tegen een lage huur op een manege woont, werkzaamheden op die manege verricht, brengt op zichzelf nog niet mee dat die werkzaamheden zijn bedoeld als tegenprestatie voor het genot van een voordelige bewoning. Als dat zo zou zijn, zouden daar volgens de rechtbank tussen de betrokken partijen afspraken over moeten zijn gemaakt en dat was niet het geval. De enige overeenkomst die er was, de anti-kraakovereenkomst, vermeldt in het geheel geen tegenprestatie. Daarin staat juist dat de dochter voor de bewoning géén vergoeding hoefde te betalen.

Jurisprudentie: Rb. Zeeland-West-Brabant 26-04-2017, nr. 16/2355 (ECLI:NL:RBZWB:2017:2459)