Wel gezamenlijke huishouding, niet één adres

Een dochter voerde een gezamenlijke huishouding met haar moeder/erflaatster en verleende haar intensieve zorg, maar omdat zij niet stond ingeschreven op hetzelfde adres, was volgens Hof Arnhem-Leeuwarden de partnervrijstelling niet van toepassing.

Vanaf 2005 verzorgde een vrouw haar moeder intensief tot aan haar overlijden in 2015. Zij voerde met haar moeder een gemeenschappelijke huishouding, maar was niet overgegaan tot het in de basisregistratie personen inschrijven op hetzelfde adres als haar moeder. De inspecteur stelt dat de vrouw, enig erfgenaam, geen recht heeft op de partnervrijstelling. De vrouw is het hier niet mee eens en vindt de weigering onterecht en onredelijk.

 

Hof Arnhem-Leeuwarden gaat hierin niet mee. Het hof overweegt allereerst dat de wetgever voor de afbakening van het begrip partner gekozen heeft voor een objectief criterium, namelijk de inschrijving in de basisregistratie personen. Het hof is van oordeel dat de wetgever daarbij is gebleven binnen de hem toekomende ruime beoordelingsmarge, dat zijn oordeel niet evident van redelijke grond is ontbloot, dat de inbreuk op het ongestoorde genot van eigendom – zo daarvan sprake is – in overeenstemming is met het nationale recht, dat is voldaan aan de vereisten van precisie en voorzienbaarheid en dat er – althans op het niveau van de regelgeving – een redelijke en proportionele verhouding bestaat tussen het – legitieme – doel in het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Het hof onderzoekt vervolgens of de regelgeving niettemin heeft geleid tot een individuele en buitensporige last in het geval van de vrouw. Het hof concludeert dat hier ook geen sprake van is. Een heffing van 10% van de belaste verkrijging kan volgens het hof niet als zodanig worden aangemerkt. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de vrouw om haar moverende redenen er niet voor heeft gekozen zich op hetzelfde adres als haar moeder in te schrijven. Voor zover de vrouw stelt dat het in het onderhavige geval niet toepassen van de partnervrijstelling niet redelijk is, overweegt het hof dat de rechter volgens de wet recht dient te spreken en dat hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen. Het hof is dan ook niet bevoegd om de wet in strijd met de letterlijke bewoordingen toe te passen. De beoordeling of een rechtsregel billijk en redelijk is, is uitsluitend aan de wetgever voorbehouden. De tekst van de wet en de wetsgeschiedenis kunnen in het onderhavige geval dan niet tot een andere conclusie leiden dan dat de partnervrijstelling niet van toepassing is. Het hof verklaart het hoger beroep van de vrouw ongegrond.
 
Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden 31-10-2017, 16/01481 (ECLI:NL:GHARL:2017:9378)