Ontslag op staande voet alsnog rechtsgeldig: geen recht op loon

Indien het hof oordeelt dat de kantonrecht ten onrechte een ontslag op staande voet heeft vernietigd en alsnog een einddatum voor de arbeidsovereenkomst bepaalt, dan heeft de werknemer volgens de Hoge Raad in beginsel geen recht heeft op loon tot aan die einddatum.

 

De zaak betrof een werknemer die in 2015 op staande voet was ontslagen wegens diefstal. De kantonrechter heeft het ontslag vernietigd, omdat de werkgever niet had aangetoond dat sprake was van diefstal. In hoger beroep komt het hof echter tot de conclusie dat het ontslag wel rechtsgeldig was gegeven. Het hof heeft vervolgens de arbeidsovereenkomst alsnog beëindigd per 31 mei 2017. Het hof wijst de loonvordering van de werknemer af omdat de werknemer na de ontslagdatum geen werkzaamheden meer heeft verricht. Dit was het gevolg van zijn eigen handelwijze en komt niet voor rekening van de werkgever.

 

Volgens de Hoge Raad is het moeilijk te rechtvaardigen indien een werknemer geen recht heeft op loon als zowel de kantonrechter als het hof het ontslag op staande voet bekrachtigen, maar dit recht wel heeft als het hof in hoger beroep, in tegenstelling tot de kantonrechter, oordeelt dat het ontslag wel terecht is gegeven en alsnog een einddatum van de arbeidsovereenkomst bepaalt. Ook is er sprake van een onevenwichtigheid als een onterecht ontslag op staande voet voor de werknemer wel gerepareerd kan worden door herstel van de arbeidsovereenkomst, maar de werkgever in de spiegelbeeldige situatie het loon moet doorbetalen tot aan de door het hof vastgestelde einddatum.

 

Een oplossing kan volgens de Hoge Raad worden gevonden door de toepassing van art. 7:627 BW in verbinding met art. 7:628 lid 1 BW. Weliswaar is in het arrest Van der Gulik/Vissers bepaald dat een werknemer tijdens een schorsing of op non-actiefstelling recht heeft op doorbetaling van loon, maar dat is een andere situatie dan het niet tewerkstellen van een werknemer na een ontslag op staande voet. Bij een ontslag op staande voet staat art. 7:628 lid 1 BW aan een loonvordering in de weg. Dit kan alleen anders zijn in de periode vanaf het oordeel van de kantonrechter, afhankelijk van de ontslaggrond en de reden waarom de kantonrechter de werkgever in het ongelijk heeft gesteld. Het is aan de werkgever om in hoger beroep een beroep te doen op art. 7:627 BW (‘geen arbeid, geen loon’). Vervolgens is het aan de werknemer om te stellen dat het feit dat hij niet heeft gewerkt, voor rekening van de werkgever komt, ook al is het ontslag op staande voet in hoger beroep geldig gebleken. Een alternatief voor het beroep op art. 7:627 juncto 7:628 lid 1 BW is loonmatiging, mits aan de voorwaarden daarvoor is voldaan.
 
Bron: HR 13-07-2018, 17/04244 (ECLI:NL:HR:2018:1209)